Een concentratieprobleem….of toch niet?

 

 

 

De ouders van een van deze jongeren krijgen al jaren te horen dat hun zoon concentratieproblemen heeft. Hij let niet op, dwaalt af, is ongeïnteresseerd en maakte zijn huiswerk niet. Hij begon achter te lopen met bepaalde vakken. Ouders wisten zich geen raad meer en ze kwamen bij mij terecht. Na een aantal gesprekken kwamen we er samen achter dat er geen sprake was van concentratieproblemen, maar wat anders. Hij bleek wel op te kunnen letten en zich te concentreren als hij maar snapt waar het over gaat.

 

 

 

Zodra hij het niet meer begrijpt, haakt hij af. Een mooi voorbeeld daarvan was dat zijn ouders hem hielpen met huiswerk. Het was wiskunde, vader begreep de manier van uitrekenen van zijn zoon niet. Dus hij zei: ”ik heb vroeger een veel makkelijkere manier geleerd. Dan snap je het in 3 minuten”. Zoon dacht: ”misschien is die manier wel veel leuker. Kom maar op”. Maar hij begreep het na 3 minuten nog niet. En haakte toen af. Vader werd geïrriteerd want zoon leek het allemaal niet te boeien, terwijl vader zo zijn best deed om hem te helpen.

 

 

 

Uit ons onderzoek (van zoon en mij) bleek dat hij moeite heeft met het begrijpen van de lesstof en de uitleg. Hij wil wel, maar begrijpt het niet direct na de uitleg. Hij wil geen vragen stellen en niet aangeven dat hij het niet snapt, omdat hij bang is dat iedereen dan hij hoort dat hij dom is. Hij voelt zich vaak dom doordat hij dingen niet begrijpt.

 

 

 

Toen ouders dit hoorden was hun reactie: ”Wow wat een eyeopener! Hier kunnen we wel wat mee”. Gevolg is nu dat hij vragen stelt, niet meer afdwaalt en doorzet als hij het niet begrijpt. Resultaat daarvan: hij heeft sinds dit gesprek alleen nog maar voldoendes gehaald én kan zich focussen.  

 

 

Er zit altijd een reden achter motivatieproblemen. Je moet eerst met de jongeren uitzoeken wat die reden is, dan kan je gericht aan de slag gaan.

 

 

 Het is noodzakelijk om uit te zoeken welke van de 3 psychische basisbehoeften van motivatie niet vervuld zijn:

 

 

 

1. Competentie: het gevoel hebben dat ze iets kunnen of het kunnen leren. Vertrouwen in hun kunnen hebben.

 

 

 

2. Verbondenheid: vertrouwen hebben in anderen, het gevoel hebben ergens bij te horen. Je verbonden voelen met iemand of met een onderwerp/thema.

 

 

 

3. Autonomie: de ruimte en vrijheid hebben om dingen op je eigen manier te kunnen doen.

 

 

 

Als deze behoeften vervuld zijn zal je je goed voelen en optimaal kunnen presteren.